archief
evameijer.nl

 

 

31 december 

Het goede jaar in het slechte jaar 

Het uitzicht vandaag tussen de buien door.

Het was in veel opzichten, eigenlijk in alle, het slechtste jaar van mijn leven. Maar het was niet alleen slecht. Omdat ik ziek was heb ik veel meer teruggekeken dan goed is voor een mens, wie uit de stroom van het leven gedwongen wordt krijgt herinneringen op bezoek, dus dat hoef ik nu niet te doen. Ik vouw het jaar rustig op en leg het bij de eerdere jaren, en dan zijn mijn handen open voor wat komt.

 

 

30 december

Mijn vrienden die in de tijd zijn achtergebleven

In de laatste dagen van het jaar denk ik aan Olli, die stierf op Goede Vrijdag en aan de muizen Bram en Wezel, Vlokkie, Madelief, Maanoor, Tweeteen, Mus en Spokie, die dit jaar ook stierven.

 

 

29 december

Je zachtgevlekte stam

 

 

28 december

De terreur van de knallen

Het is de eerste keer in tien jaar dat ik niet opschrik bij elke vuurwerkknal omdat er een doodsbange hond in huis is. Dat op zich is een melancholisch gegeven, maar het is ook erg dat de afgrijselijke traditie nog bestaat. Een paar jaar geleden leek er momentum voor een verbod, maar na de coronapandemie viert het liberale egoïsme weer onkritisch hoogtij. Vooral de vogels hebben er last van, dus als je een tuin hebt, zet water neer voor ze en geef ze deze week te eten, dan hebben ze een wat betere kans om het te overleven. En doe wat er in je vermogen ligt om het te ontmoedigen.

 

 

27 december

Aan het einde van de dag

En langzaam werd ik tijd. Ik meng me met het wit. Eerst was ik mens, toen boom, toen dag. Ik ga vanzelf voorbij.
Ik ben er nog, nu namiddag. Het licht valt door de bladeren. Als boom bewoog ik mee. Maar tijd blijft stil en aangedaan. 
Ik ben er nog, mijn avond valt zo licht. 
Wie heeft bedacht dat het zo gaat? Wie handen heeft: houd iemand vast.

 

 

26 december

En de vraag of dit dan vrijheid is  

 

 

25 december

Dierentuinen van de toekomst 

De cursus Uilen in Nederland is niet voor de faint of heart. Met name de hoeveelheid muizen die ze dagelijks eten is schokkend, en de oehoe eet er nog allerlei andere dieren bij. Wel leerde ik dat de oehoes de dierentuin hebben heruitgevonden: er broedt namelijk sinds 2016 een koppel in Burgers' Zoo in Arnhem, op eigen initiatief. Zie hier. (Zo wonen er ook veel reigers in Artis.) In plaats van dieren gevangen te houden, zouden dierentuinen dus toevluchtsoorden kunnen worden voor wie een plek nodig heeft, en zich kunnen richten op het maken van schuilplaatsen (holen, nesten, mandjes) voor wilde dieren en zwerfdieren. De dieren die zich er vestigen weten dat er bezoekers zijn en nemen dat voor lief (bijvoorbeeld omdat er minder predatoren zijn of genoeg te eten). Misschien vinden ze het zelfs wel leuk om soms contact te maken. 

 

 

24 december

Voor wie zin heeft om wat te lezen met kerst

Ondanks en dankzij dat ik het hele jaar ziek was, heb ik wel veel geschreven (ondanks omdat ik minder goed kon denken en weinig uren per dag kon werken, dankzij omdat ik minder lezingen gaf en geen sociale afspraken kon maken). Als belangrijkste waren dat de dichtbundel Het witste woord over de liefde, en de roman Dagen van glas. Daarnaast heb ik veel academisch werk geschreven, daar zit altijd een vertraging in, maar volgend jaar verschijnt er een nieuwe monografie bij de Amsterdam University Press over meersoortige dialogen, met als werktitel: Multispecies Dialogues. Doing Philosophy with Animals, Children, the Sea and Others. Dit jaar verschenen er wel veel artikelen, zie mijn UvA-pagina (alles open access). Ook schreef ik meer dan eerder voor de krant, columns en essays over o.a. long covid, gender, planten en publieksfilosofie. Zie hier (niet open access). Verder waren er natuurlijk nog de Dog Dinners in Mediamatic, een experiment in anders samenleven, opgezet met en voor honden. Via google kun je daar leuke verslagen over vinden.

 

 

23 december

Over het verstrijken van de tijd  

Vanochtend was ik te gast bij Nieuwsweekend om te praten over Dagen van glas. Je kunt het hier terugluisteren. 

 

 

23 december

Ondertussen 

Ondertussen waren de afgelopen vierentwintig uur de dodelijkste vierentwintig uur in Gaza.  

 

 

22 december

Uilen 

Bij de Vogelbescherming kun je een online cursus Uilen herkennen in Nederland volgen. Ik heb mezelf er een cadeau gedaan als vroeg kerstcadeau, ook al zijn er hier helemaal geen uilen in de omgeving. Het is leuker dan tv kijken. Klik hier als het je ook wat lijkt. Het is maar 25 euro. Je kunt ook gratis cursussen volgen over vogels en tuinvogels in Nederland.    

 

 

22 december

Dirigeren 

De film Tár voert veel eindejaarslijstjes aan. In die film speelt Cate Blanchett een lesbische dirigent die misbruik maakt van haar macht en ze doet dat totaal overtuigend en innemend. De macht ligt niet alleen bij haar, het is een landschap, dat stap voor stap in kaart wordt gebracht. Het is ook een film over schoonheid, over de grenzen van toewijding (en wat je uiteindelijk hebt aan kunst). Eindejaarslijstjes zijn natuurlijk vreemd omdat je werk (films of boeken of wat dan ook) niet zo kunt rangschikken maar het is een goede film, de tijd van het kijken waard.

 

 

21 december

In het ei

Tijdens het mediteren moest ik me voorstellen dat ik omgeven werd door een kleur. Ik koos voor rood, omdat ik me daarin warm en veilig voel, en eerst was het ook warm en veilig. Daarna voelde het alsof ik in een ei zat, dat was nog steeds fijn, en ik begreep hoe het is om een kuikentje te zijn, verfrommeld en nat, ik tikte met mijn eitand de schil open. Het ontroerde me tot ik dacht aan alle miljoenen kippen in de schuren die ook ooit uit hun ei zijn gekomen, voor een leven dat alleen uit lijden bestaat. Het was een vreemde heldere ervaring. Eerder dit jaar had ik iets soortgelijks, maar dat was in een droom waarin ik een vis werd en in een net werd gevangen, heel claustrofobisch, de andere vissen en ik begrepen niet wat ons overkwam maar het was verschrikkelijk. Dit als vroege kerstoverweging. Help de dieren, misbruik ze niet.  

 

 

20 december

De schemering 

Voor de dag terugkeert in zichzelf, de controle overgeeft aan de nacht, kijkt hij nog een keer goed rond. Daar staan de sparren, daar rent een eekhoorn, daar liggen de kleine zwarte dennenappels. De mensen hebben lichtjes aangestoken, ze komen niet meer. De kleine gele paddenstoelen, een stuk schors, twee konijnen. In de verte zoeken zwijnen naar hun eten. Het mos ligt er rustig, de bladeren vergaan. Dag licht, dag stemmen. Dag bos, zee, stad. Morgen is een ander woord voor terugkeer.

 

 

19 december

Te weten wat jullie weten

 

 

19 december

We kunnen al met dieren praten, we luisteren alleen niet

De column van vandaag gaat over praten met dieren en kunstmatige intelligentie. Hier

 

 

17 december

Spookverhaal

Gisteren zag ik de film The Eternal Daughter van Joanna Hogg met Tilda Swinton in een dubbele hoofdrol. Een filmmaker gaat met haar moeder naar een spookachtig huis waar de moeder toen ze jong was bij familie logeerde en dat nu als hotel dienst doet. Ze wil een film maken over haar moeder, maar kan haar nauwelijks naderen. Hun gesprekken met de nachtwaker zijn opener dan die met elkaar. De sfeer is dromerig en dreigend, het verleden is overal aanwezig maar houdt zich tegelijk schuil. Die onbenaderbaarheid heeft iets meedogenloos. Voor een spookverhaal heb je geen spoken nodig, herinneringen zijn genoeg. 

 

 

16 december

Het verhaal van de tijd 

Het lijkt alsof Jon Fosse iets over de tijd wil zeggen, het verglijden ervan in een mensenleven. De tijd van het moment, waarin mogelijkheden en onmogelijkheden zich aandienen in gedachten, en de tijd die zich over het hele leven uitstrekt, en zich toont in terugkerende herinneringen. Die zijn in zijn Septologie niet altijd aan grote gebeurtenissen gebonden, het zijn eerder polaroids van losse scènes die in hun terugkeren samen het verhaal bepalen.
Maar misschien gaan zijn boeken minder over de tijd dan over het ik. Ons ik, het verhaal dat we hebben van ons ik, heeft de tijd nodig, toont zich tegen de achtergrond van de tijd, maar weerstaat hem ook omdat de onverschilligheid van de tijd oplost tegen onze verschilligheid. Die is er maar even, dat is erge en ook het sterke, in principe is even genoeg, want de eeuwigheid heeft niemand, ook de tijd zelf niet (als we die aan de aarde binden en aan de levende wezens; anders misschien wel).
Ik las Fosse toen ik heel ziek was en zelf weinig tegen de tijd kon uitrichten. Ik kon alleen meegeven, als een blad dat bewogen wordt door de wind, eerst zit het nog vast aan de tak en daarna waait het door de tuin, het landt voor de struik achterin. Rustig liggen in het gras.
Herinneringen zijn ook gebeurtenissen. Ze nemen je alleen niet mee, laten je daar liggen in het gras.
Als de verteller minder kan vertellen wordt het verhaal steeds valer, dunner als oude stof, tot je erdoorheen grijpt, misschien lag het al een tijd op zolder.
Ook het ziek zijn was een verhaal, niet het verhaal dat ik wilde vertellen. Maar een verhaal.  

 

 

15 december

Zhuang Zi 

Een van de mooiste boeken die ik dit jaar las is de Zhuang Zi, in de vertaling van Kristofer Schipper. Het is naast Het boek van de Tao en De geschriften van Liezi een van de drie klassieke teksten uit het taoïsme, ongeveer geschreven tussen de vierde en tweede eeuw voor onze jaartelling, volgens de overlevering door Zhuang Zi. Het is een humoristische en wijze tekst waarin dieren volkomen serieus worden genomen - soms worden ze als metafoor gebruikt maar in veel van de verhalen gaat het over echte dieren (het taoïsme is niet antropocentrisch, mensen zijn deel van de tienduizend dingen en iedereen is weliswaar anders, maar ook gelijk). Zo wordt het verzet van paarden besproken, de vreugde van vissen, en zijn er kikkers die in putten terechtkomen. Het boek van de Tao is overigens ook echt een mooie tekst, meer een gedicht. De Zhuang Zi is heel levendig en vrolijk. 

 

 

14 december

Ook hier is alles alles 

 

 

13 december

Feed me. Cheat me. Eat me.

In Eye is momenteel een tentoonstelling te zien van Janis Rafa. Vooral films, en drie grote sculpturen van de ijzeren stangen waar dieren in de vee-industrie en maneges tussen worden gehouden. Wie al op de hoogte is van het lijden van dieren heeft er weinig te zoeken, maar voor wie het gesprek wil aangaan met iemand die dat niet is, is het een geschikte tentoonstelling. Daarna kun je koffie of thee drinken en uitkijken over het IJ en samen bedenken hoe het verder kan. (Ze hebben ook goed vegan eten in het restaurant.)

 

 

12 december

Voor de mensen op spotify

Hier is een mooie plaat voor de donkere dagen, Melancolía van Musica Temprana.

 

 

11 december

Hedendaagse kunst van niet-menselijke kunstenaars in de openbare ruimte deel II 

Deze schimmelkunst lijkt te verwijzen naar het werk van Armando, ook al heeft de kunstenaar daar nog nooit van gehoord. Misschien kan het beter worden vergeleken met de feministische performancekunst van de jaren zestig en zeventig, waarin ook vaak het eigen lichaam en uithoudingsvermogen centraal staat.  

 

 

11 december

Hedendaagse kunst van niet-menselijke kunstenaars in de openbare ruimte deel I 

Dit werk, van een lokale moskunstenaar, doet natuurlijk meteen denken aan het werk van de recente Turner Prizewinnaar Jesse Darling. Andere raakvlakken zijn de folklore en Agnes Martin. Let op de typische organische mos- en bosesthetiek, die vooral in de hoeken tot uitdrukking komt. 



 

 

10 december

Filosofiepodcast 

Ik ben geen grote podcastluisteraar, maar laatst ontdekte ik The history of philosophy without any gaps, een zeer uitgebreide filosofiepodcast (in het Engels) met korte afleveringen (rond de 20-25 minuten) waarin wordt ingegaan op een stroming of filosoof. Naast de westerse filosofie komt Afrikaanse, Indiase en Islamitische filosofie aan bod. Je kunt bijvoorbeeld ook de vrouwen eruit pikken in de verschillende stromingen. Je kunt er hier naar luisteren. Voor als je even pauze hebt en toch iets wil leren.     

 

 

9 december

Op pad 

 

 

9 december

Schrijven en anderen 

Vandaag gaf ik online een lezing op een studentenconferentie in Boekarest. Over mensen en niet-mensen, schrijven over anderen, en uiteindelijk samenleven met wie anders is dan jij. Ik plaats de lezing hier, voor wie het interesseert.

Mens en niet-mens: Schrijven over anderen in een wereld die verdwijnt 

Eerste voorbeeld 

Gerimpel. Gegolf. Geraas. Gebulder.
Gerimpel gerimpel gegolf.
Gegolf.
Geraas, geraas, gebulder.
Gebulder! Gebulder! Geraas!
Gegolf, gegolf, gegolf, gegolf, geraas, gegolf.
Gerimpel.
Gerimpel.
Gefluister. Heel zachtjes. 

In Zee Nu rukt de Noordzee op, een kilometer per dag. De zinnen die ik zojuist voorlas zijn de opening van het boek. De zee spreekt tot de Nederlanders, rimpelend, razend, bulderend, en soms fluisterend. Heel zachtjes. De mensen reageren – politici, wetenschappers, activisten en burgers begrijpen langzaam dat er iets goed mis is, en vertrekken. De niet-menselijke dieren snappen het al eerder, ze luisteren beter naar het oprukkende water.
Je kunt Zee Nu op verschillende manieren lezen. Als satire, want de politici reageren op een vergelijkbare manier als op de coronapandemie. Maar ook als een ander, ouder verhaal, van mensen die zich te verhouden hebben tot een natuur die uiteindelijk altijd sterker is dan wij.
De zee maakt deel uit van de Nederlandse volksaard, mensen in Nederland leven onder zeeniveau en weten dat ze kwetsbaar zijn. Tegelijk zijn ze trots op de dijken en de waterwerken, dat merk je ook in discussies die nu worden gevoerd over het klimaatbestendig maken van Nederland. Mensen stellen veel vertrouwen in techniek en interventies. En uiteindelijk, denkt men, zal het toch zo’n vaart wel niet lopen.
In de roman gebeurt dat wel. Niet omdat ik mensen wil verontrusten, hoewel ik daar niet tegen ben, maar omdat we in een tijd leven waarin de natuur steeds nadrukkelijker terug begint te spreken. Tegelijk zijn wij in onze hoogkapitalistische samenlevingen verleerd om met en tegen de natuur te spreken. 

Tweede voorbeeld 

In de vroege lente van 1946 kwam er een onbekende koolmees met haar partner uit de tuin van de buren aan de westkant. Ze nam het nestkastje aan de eik op het pad naar mijn huis in gebruik. Ze had een klein wit stervormig vlekje op haar koolmezenvoorhoofd, en bewoog bijzonder elegant. Ik noemde haar Ster. De vaste bezoekers van mijn tuin hielden het nieuwe stel op een afstand en ik zag ze alleen in het voorbijgaan. In de zomer van 1949 verloor ze haar partner en zette ze haar zinnen op Kaalkopje. Kaalkopje was een vaste bewoner van mijn tuin, een stoere stevige mannetjeskoolmees die mij volledig vertrouwde. Kaalkopje was niet direct gecharmeerd van Ster. Hij had al een partner, die ik Eenoog noemde vanwege de witte kring om haar linkeroogje, en hij vond Ster maar een druktemaker. Ze was echter bijzonder doortastend. Eerst joeg ze Eenoog weg en daarna volgde ze Kaalkopje, de hele herfst, tot ze halverwege de winter eindelijk zijn hart gewonnen had. 

De koolmees Ster is een van de twee hoofdpersonen van mijn roman Het vogelhuis. De andere is Len Howard, een mens, vogelonderzoeker, die echt bestaan heeft. Howard schreef in de jaren vijftig van de vorige eeuw twee boeken over haar leven met vogels (Birds as Individuals, Living with Birds). Ze laat in haar werk zien dat begrip tussen mensen en wilde dieren tot stand kan komen op basis van vrijheid en vertrouwen, en dat het ontwikkelen van een uitgebreide gemeenschappelijke taal mogelijk is. Howard kwam uit een goede familie en was opgeleid als violist. Ze dacht dat de manier waarop vogels in haar tijd onderzocht werden, namelijk in laboratoria, de realiteit vertekende. Omdat wilde vogels bang zijn voor mensen, moeten kunnen vliegen, en sociale wezens zijn, levert zo’n omgeving ze veel spanning en ellende op, wat gevolgen heeft voor de resultaten van het onderzoek. Stel je voor dat je zelf in een kooi wordt gehouden en onderzocht door een andere diersoort. Zij besloot het anders te doen. Ze kocht een huisje in Ditchling, ten zuiden van Londen en stelde dat letterlijk open voor de vogels, die al snel door de ramen naar binnen vlogen en hun intrek namen in haar Bird Cottage. De vogels leerden haar kennen en vice versa; zij leerde in de jaren die volgden niet alleen hun taal kennen, ook ontwikkelden ze samen gewoontes, nieuwe taaluitingen, en spelletjes. Ze bouwde met sommige vogels een hechte vriendschap op, schreef hun biografieën, en Ster, een van haar favorieten, leerde ze zelfs tellen.
Ik kwam het werk van Howard tegen toen ik bezig was met mijn proefschrift over politieke stem van dieren. Ik schreef en dacht over taal van niet-menselijke dieren, en daar heeft Howard veel over te zeggen, juist door haar methode. Ze bestudeerde de dieren in hun leefomgeving en moest zich daar zelf aan aanpassen, in plaats van andersom. Het ging ten koste van haar eigen sociale leven, ze kon weinig bezoekers ontvangen, ze moest veel schoonmaken en hoewel het haar plan was een derde boek te schrijven kwam het daar niet van omdat ze steeds met de vogels bezig was.
Hoewel ik dus eerst geïnteresseerd was in wat Howard over de vogels schreef, werd ik gegrepen door haar levensverhaal en besloot ik daar een roman over te schrijven. 

Mens en niet-mens 

Ik werd gevraagd om vandaag als schrijver, en misschien ook een beetje als filosoof, een lezing te geven over mensen en niet-mensen. Preciezer: hoe moet en kun je als mens, als menselijke schrijver, schrijven over anderen? En wat betekent dat in deze tijd, waarin we als mensen eigenlijk bezig zijn om onze plek te herzien in het grotere natuurlijke geheel. Dat is een vraag die regelmatig terugkomt in mijn werk, en die volgens mij verbonden is met een andere belangrijke vraag: wat betekent het om überhaupt een goed leven te leiden? Behalve Zee Nu en Het vogelhuis schreef ik meer boeken over dieren en de natuur, onder andere over talen van dieren en hoe we ons moeten en kunnen verhouden tot de teloorgang van de natuurlijke wereld. Ik wil deze vraag – hoe kan en moet je schrijven over niet-mensen – vandaag bespreken aan de hand van drie verschillende punten, die met elkaar te maken hebben: 1. de wereld spreekt al, 2. verbeelding is een methode om anderen te begrijpen, en 3. we moeten beter leren luisteren. 

De wereld spreekt al 

Wie opgroeit in een westerse samenleving leert dat mensen de enige sprekende wezens zijn. Dieren praten in kinderboeken, maar daarbuiten maken ze hooguit geluid. Hetzelfde geldt voor bomen en planten, rivieren en zeeën. In niet-westerse samenlevingen is dit anders, daar kom ik straks nog even op terug. Maar ook hier verandert het. Ik zei net al even dat we in een tijd leven waarin de natuur harder terug begint te spreken – door zeespiegelstijging, smeltende gletsjers, bosbranden, megastormen. En ons beeld van de communicatieve vaardigheden van andere dieren en planten verandert door onderzoek in de biologie en ethologie of gedragsbiologie. We weten bijvoorbeeld dat mensen niet de enige dieren zijn die namen hebben. In het wild levende dolfijnen, papegaaien en vleermuizen noemen elkaar bij hun naam. Vleermuizen houden van roddelen. Wilde olifanten hebben een woord voor ‘mens’, dat gevaar aanduidt. Kippen spreken al tegen kuikentjes wanneer die nog in het ei zitten. Kippen geven mensen met wie ze samenleven ook een naam. De talen van walvissen, inktvissen, bijen en talloze vogelsoorten hebben een grammatica. Taal is in deze en andere voorbeelden natuurlijk breder dan alleen geluid: ook beeld, geur, houdingen, kleur en dergelijke kunnen er deel van uitmaken. Naast deze intersoortige interactie is er ook meersoortige communicatie mogelijk, tussen diersoorten onderling en tussen mensen en andere dieren, daar is bijvoorbeeld bij honden, paarden en kippen onderzoek naar gedaan. En Len Howard beschrijft hoe dit werkt bij de koolmezen.
Dat dieren spreken is natuurlijk leuk om te weten, en je wereldbeeld verandert erdoor – als je weet dat insecten met geursignalen communiceren, dat de duiven in de stad net zulke verstandhoudingen met elkaar hebben als wij, dat planten door hun wortels en schimmelnetwerken onder de grond met elkaar overleggen, dan zie je je omgeving anders. Daar hoef je niet eens voor naar een bos, een stadswandeling krijgt zo een heel andere lading. Maar het is niet alleen maar leuk, het komt wat mij betreft ook met een verplichting, namelijk om die dieren meer serieus te nemen. Deze levende wezens worden nu op grote schaal gekweld, in de vee-industrie, door de jacht, in laboratoria. Daardoor voel ik me aangesproken als mens. Maar ook als schrijver.
Als schrijver recht doen aan het perspectief van anderen is een precaire zaak. Je spreekt namelijk op een bepaalde manier voor die ander. Je moet oppassen geen stereotypen te herhalen, en met dieren in romans wordt dat heel vaak wel gedaan. Let maar op. Dieren in verhalen volgen meestal of een stereotype beeld – honden zijn trouw, katten eigenzinnig, vogels mooi – of ze worden alleen als metafoor gebruikt. Een vogel geeft vrijheid aan. Geweld tegen dieren wordt overigens ook heel vaak alleen instrumenteel gebruikt door schrijvers, om te laten zien hoe verdorven of in de war het menselijke personage is dat geweld pleegt, maar niet iets zeggen over geweld tegen dieren of dat specifieke dier.
Recht doen aan het perspectief van niet-mensen, voorbij het stereotype, begint ermee te begrijpen dat ze ons iets te zeggen hebben. Bij dieren is dat onder andere dat ze een eigen blik op het leven hebben, eigen plannen en ideeën, maar planten en andere natuurlijke entiteiten hebben ook hun eigen manier van zijn. 

Verbeelding en de ander 

Dat brengt ons naar het volgende punt, verbeelding en de ander. Ik denk niet dat er een verschil is tussen menselijke en niet-menselijke personages – er zijn allerlei verschillen, op het gebied van soort, sociale groepen, individuele kenmerken. Ik kan even makkelijk of moeilijk over koolmees Ster schrijven als over Len Howard. Je moet als schrijver altijd doordringen in het soort wezen dat iemand is en daar de woorden bij zoeken. Dat is een kwestie van voorstellingsvermogen, gevoed door kennis, maar ook van stijl.
Elk onderwerp dwingt een eigen stijl af. In Zee Nu heeft de taal het ritme van het water. Alles stroomt, er is constant sprake van eb en vloed. De zee maakt iedereen ook gelijk. De padden en kikkers, de paarden, de mensen, ze zoeken allemaal naar een veilige plek, een manier om te overleven. De menselijke samenleving met gebouwen, kunst, een taal, wordt daarmee ook een samenleving tussen vele. Elke golf is nieuw, en tegelijk hetzelfde als de vorige golf.
De veelheid van de wezens in de roman wordt weerspiegeld in de woorden die de mensen kiezen. Wetenschappers, politici, activisten en dichters hebben allemaal hun eigen manier om betekenis te geven aan het leven en die manieren vallen niet samen. Een gedicht laat echt iets anders zien van de werkelijkheid dan een academisch artikel of een manifest. En geeft die werkelijkheid anders vorm. Want hoe we spreken over wat er is, bepaalt ook hoe we dat zien en hoe we het aan elkaar kunnen laten zien. De vraag naar stijl is dus ook een politieke vraag: de vorm die je kiest, wie je aan het woord laat en hoe je dat doet, bepaalt de vorm die de wereld krijgt.
In Het vogelhuis is de vorm juist vogelig en licht, eerder poëtisch. De manier waarop Howard, die het verhaal vertelt, de wereld ziet verschilt niet zo van die van de vogels.
Ik moet hier overigens opmerken dat ik dit soort ideeën over stijl niet voor het schrijven al uitdenk: het volgt uit het verhaal, en ik heb het verhaal te volgen.
Voorstellingsvermogen heeft ook politieke kant, zoals ik net al besprak, omdat je wanneer je schrijft over iemand anders ook spreekt voor iemand anders. Dat betekent dat je je in diegene moet verdiepen. Ik las niet lang geleden de roman De vriend, van Sigrid Nunez, over een vrouw die een Deense dog erft van een goede vriend, en hoewel de verstandhouding met de hond mooi is beschreven en het verder ook wel een goed boek is, herhaalt ze af en toe standaard ideeën over dieren die allang weerlegd zijn, bijvoorbeeld over dat we hun innerlijke levens niet kunnen kennen, over hun anders zijn. Zowel dieronderzoek als filosofisch onderzoek laat zien dat we elkaar wel degelijk kennen en begrijpen. Ze valt dus terug op een stereotype verbeelding, dat een beeld van dieren herhaalt als onkenbaar. Als schrijver heb je wanneer je over andere mensen of dieren schrijft de plicht je in ze te verdiepen en ze anders te laten zien.
Want verbeelding is ook speels. Alles kan. Naast het vermogen om te hopen is het vermogen om ons iets voor te stellen en wat er is anders voor te stellen een van de belangrijkste wapens die we hebben tegen het donker. En dat geldt voor de schrijver en de lezer. Elk boek is half van de schrijver en half van de lezer. De lezer maakt het verhaal af met haar, zijn of hun interpretatie, die door je eigen levensverhaal, door het lezen van eerdere boeken, door waar je bent en wie je bent gevormd is. Dat maakt literatuur tot een kunstvorm die intiem is op afstand. En die speelsheid maakt het ook een plek waar we anderen op een nieuwe manier kunnen leren kennen. Kunst kan grenzen verbuigen en voor even laten oplossen. In onze platgeslagen mediasamenleving wordt alles constant herhaald, waardoor het stolt. Om de vloeibaarheid van wie we zijn en de relaties met anderen te eren hebben we nieuwe verhalen nodig over de wereld die ons omringt. 

Beter leren luisteren 

Om recht te kunnen doen aan anderen en aan het verhaal dat je schrijft moet je als schrijver verhalen zien – ik denk dat je daar niets aan kan doen, er zijn mensen die het hebben en mensen die het niet hebben, er zijn wel verschillende manieren waarop je het kunt hebben en waarop je kunt leren wat je ziet te vertalen naar een tekst. Verhalen herkennen betekent dat je goed moet kunnen kijken en luisteren naar wat je omringt. Het laatste punt dat ik hier met jullie wil bespreken gaat over luisteren.
Er ligt in onze samenleving heel veel nadruk op spreken en op luid spreken. Wie aan het woord komt en blijft heeft gewonnen. Dat gaat ten koste van de dialoog en van het begrip dat we hebben van de wereld. Ik heb de laatste tijd veel gelezen en geschreven over het taoïsme en een van de begrippen die me daarin aanspreken is wuwei. Wuwei kan letterlijk worden vertaald met niet-handelen, maar als filosofisch begrip gaat het eigenlijk over aandachtig antwoorden op je omgeving. Niet je eigen mening of wens doordrukken of projecteren op wat je omringt, maar begrijpen dat je altijd in wisselwerking leeft met alles wat anders is dan jij, in een levende wereld. Het is belangrijk op je te oefenen in het reageren. Soms doe je dat door wel te handelen, soms door niet te handelen.
Wuwei gaat dus over handelen in lijn met het leven en dat leven volgen, en om dat te kunnen doen moet je goed opletten, anders weet je niet wat je moet volgen. Met volgen bedoel ik niet om klakkeloos volgen of zomaar wat doen. Maar steeds opnieuw bepalen wat telt, aanvoelen wat er om je heen gebeurt, in je reactie daarop het juiste midden kiezen. Voor mij beschrijft wuwei, dat aandachtige antwoorden, eigenlijk hoe ik werk: een boek dient zich aan en ik heb het zo goed mogelijk te volgen. Ik ben geen schepper maar eerder een ontvanger van de tekst. Ik moet luisteren naar het boek, ik sta er in dienst van. Ik probeer ook zo om te gaan met de dieren en mensen in mijn leven door steeds mijn eigen handelen en niet-handelen af te stemmen op dat van anderen. Omdat alles voortdurend in beweging is, is dat een constant proces.
Soms moet je een punt maken of je stempel ergens op drukken, zeker als vrouw of non-binaire mens, anders wordt er over je heen gelopen, maar heel vaak is het veel interessanter om goed te kijken en luisteren naar wat je omringt. Op die manier kunnen we als mensen ook een andere verstandhouding opbouwen met dieren en de natuur. Dit is niet alleen van belang voor de schrijver, ook weer voor de lezer. Beter lezen gaat ook over beter luisteren, omdat lezen, zeker van romans en poëzie, om een diepe aandachtigheid vraagt, waarin je voorbij jezelf in de taal terechtkomt. 

Conclusie: taal telt 

Ik schreef deze woorden een week nadat Geert Wilders de Tweede Kamerverkiezingen heeft gewonnen in Nederland. Zoals jullie weten is Wilders een extreemrechtse politicus die tegen immigratie en de islam is, subsidies voor kunst wil afschaffen en vindt dat er geen geld naar het klimaat moet gaan. Zijn winst is slecht nieuws voor Nederland. Voor de kinderen en de toekomst, de dieren en de natuur, de kunst, en alle mensen die buiten zijn beeld van De Nederlander vallen.
Wilders heeft de afgelopen jaren laten zien dat taal ook kwaad kan doen. Denk aan het munten van een woord als kopvoddentaks – daarmee bedoelde hij belasting op het dragen van een hoofddoek, en met dat woord stigmatiseerde hij een hele groep mensen en maakte ze belachelijk. Of aan zijn ‘minder minder minder’ Marokkanen, waarmee hij een menigte retorisch opzweepte. Hij is niet geïnteresseerd in het voeren van een open gesprek of in luisteren, en al helemaal niet in poëtische taal of wuwei, maar zet de taal in als een wapen. Om gelijk te krijgen, om zijn zin te krijgen. Om de ander tot ander te fixeren, in plaats van te begrijpen dat we allemaal fluïde wezens zijn, in verandering, die het leven voor elkaar ook beter kunnen maken.
Als schrijver voel ik me geroepen daarop te reageren en de andere kant te blijven verdedigen. Door anders te schrijven over anderen, en door te blijven schrijven, ook al lijkt het er soms niet toe te doen. Niemand leeft voor zichzelf of voor de eigen groep, we staan altijd in verbinding met anderen. Ook met niet-mensen. In die verbindingen hebben we als mensen op dit moment een grote verantwoordelijkheid omdat we als soort zo dominant zijn.
We kunnen het anders doen. Voor onszelf en met elkaar. Dus laten we doorgaan met ons die andere wereld voor te stellen in het lezen en het schrijven, en wie weet. Wie weet.
Vandaag geef ik in elk geval het laatste woord aan de koolmezen. 

De eerste zon van het jaar valt door de opening tussen de gordijnen. Januari is zeven dagen geleden begonnen, was tot nu toe grijs en donker – een nieuw jaar zonder mogelijkheid het echt goed te zien. De zon brengt kleur mee en hoop. Ik loop naar de keuken, vul een bord met eten voor de voertafel. De vogels zijn al uren op; ze ritselen, vliegen, kletsen met elkaar. Timmy, de kleine merel, zit aan de andere kant van het raam op de vensterbank, zijn kopje schuin, verwachtingsvol – hij roept me, twee noten, dezelfde die hij gebruikt om zijn vrouwtje te roepen. Ik open het raam en leg een stukje appel voor hem neer. Kaalkopje zit op de leuning van het bankje naast de voertafel, met naast hem een nieuw vrouwtje. Ik leg de stukjes spek, kaas en roggebrood op de tafel, ga dan terug voor nog wat boter, nootjes, fruit. Kaalkopje komt kijken, het vrouwtje vliegt achter hem aan, zorgt ervoor dat ze uit mijn buurt blijft. Op haar voorhoofd zit een wit vlekje – Ster, ik herinner me ineens dat ze eerder in nestkast aan het pad nestelde. Haar partner is er niet bij, misschien is hij overleden. Ze heeft duidelijk interesse in Kaalkopje, die haar aanmoedigt noch afwijst. Hij was vorig jaar samen met Eenoog, die ik nu alweer een paar dagen niet gezien heb. Kaalkopje eet rustig, vliegt dan naar mijn schouder. We kijken samen naar Ster, die honger lijkt te hebben en overal een hapje van neemt. Alleen de kaas laat ze liggen. Na elk hapje kijkt ze even naar ons op. Ze is erg mooi, haar veren glanzen en de kleuren lijken dieper dan die van de veren van de andere vogels. Ze kijkt ook zo pienter uit haar oogjes. Eerst kijkt ze alleen naar Kaalkopje, daarna zoeken haar ogen de mijne. Hallo, zeg ik met mijn ogen. Fijn dat je er bent. Ze houdt mijn blik even vast, vliegt dan weg. Kaalkopje volgt haar en daar gaan ze, steeds hoger de lucht in, steeds hoger en sneller.  

 

 

8 december

Het grote niets, dat ons omringt   

 

 

7 december

Drumvogels

G.C. Heemskerk attendeerde me op het bestaan van de zwarte kaketoe, oftewel de palmkaketoe, Australische vogels die van drummen houden en hun eigen instrumenten maken. Je kunt hier een filmpje bekijken - het is wel een droevig filmpje, want ze zijn met weinig en worden bedreigd. Het is een heel oud volk, vroeger woonden ze in het regenwoud, en de vogels worden zelf ook oud, wel negentig. Als ze eenmaal een partner hebben leven ze met diegene samen, niet in groepen zoals andere kaketoes. 

 

 

6 december

Opnemen 

Onze wandelingen zijn steeds stiller geworden. Vanaf het einde van november keren de bomen zich in zichzelf, houden de dieren zich aan de kou, de regen, laat het land weinig meer horen. Vandaag liet het licht zien wat er aan het einde ergens van gebeurt. Het was fel, schitterend, maar herfstfel, een diepgele gloed, melancholisch. Ik wilde het in me opnemen, dat licht, om te bewaren en zelf ergens over te kunnen laten schijnen als dat nodig is. Halverwege de wandeling, we liepen over het pad langs het water, waar de berken fel uitgelicht werden een regenboog tegemoet, kwam de hagel. Zachte kleine hagel, alsof de hagel het zelf ook niet helemaal geloofde. En daarna was het even donker, voor het licht terugkeerde. Aan het einde van de wandeling zag ik hetzelfde als aan het begin, de scherpe schaduwen van bladeren op een grote wilg, en dacht ik er hetzelfde bij. 

 

 

5 december

Lessen van Scarpetta

In de column vandaag bespreek ik wat de boeken van Patricia Cornwell ons over de recente verkiezingsuitslag (en doorgaan in het algemeen) kunnen leren. Hier.

 

 

4 december

Blijf de bomen bedanken 

 

 

4 december

Overvliegende vogelveiligheid 

Als er vogels over mijn hoofd vliegen voel ik me voor even volkomen veilig. Het is een gevoel dat nergens mee te vergelijken is. Het maakt niet uit wie er over vliegt, of het de trekkende ganzen zijn, de zwermende spreeuwen, de duiven die om de hoek wonen en elke ochtend samen vliegen, of de mussen die vanuit de heg voor het huis naar de achtertuin besluiten te gaan. De vogels zeggen dat er meer is dan mijn leven, dat ik net als zij maar even besta. En het voelt alsof ze op me passen.  

 

 

3 december

Tip voor de donkere dagen

Op Mubi.com staan (bijna?) alle films van Aki Kaurismäki. Je kunt de site een tijdje gratis uitproberen. 

 

 

2 december

Een en twee zijn 

 

 

2 december

Baumgartner 

In de Guardian las ik een mooi interview met Paul Auster over zijn mooie nieuwe boek. Hier.

 

 

2 december

Doris 

 

 

1 december

Alle kraaien